Naar hoofdinhoudNaar hoofdmenu

Archeologie

Laatst gewijzigd: 10-7-2013

Lelystad is een jonge gemeente. De resten in de bodem van de gemeente zijn dat allerminst.

Naast scheepswrakken kent de gemeente een rijk bodemarchief met archeologische resten die teruggaan tot het Mesolithicum, dat wil zeggen tot ruim 8000 jaar voor Christus. Om de aanwezigheid van deze archeologie van hoge ouderdom te begrijpen moeten we een uitstapje maken naar de ontwikkeling van het landschap en de bodem in het verleden.

Vestigingsplaatsen

Na de laatste ijsstijd (het Weichselien) - rond 12000 voor Christus - begon de temperatuur weer te stijgen en de zeespiegel steeg mee. Het gebied werd toen gekenmerkt door vlechtende rivieren en gebieden met dekzand  in de vorm van vlaktes, ruggen en rivierduinen. Met name de ruggen en duinen – de hogere delen van het landschap – vormden aantrekkelijke vestigingsplaatsen voor de mens gedurende het Mesoliticum en Neoliticum. Een voorbeeld van een dergelijke Pleistocene opduiking is de Knar, waar bewoningssporen uit het Mesolithicum zijn gevonden (haardkuilen en vuursteen).

Vernatting

Onder invloed van de continue zeespiegelstijging ontstond in Oostelijk en Zuidelijk Flevoland en het zuidelijke deel van de Noordoostpolder een stelsel van getijdengeulen (kreken). Langs de kreken vormden zich oeverwallen, die gedurende het Neolithicum intensief werden bewoond. Het dekzandlandschap was rond 4000 voor Christus zo vernat dat bewoningsresten van na die tijd niet zijn te verwachten.